Tijdens een
[vak waar je een hekel aan hebt] toets ben je stiekem aan het spieken bij
[naam beste vriendin/vriend].
Hij/Zij schrijft een beetje beroerd, dus het kost je de grootste moeite om haar antwoorden te lezen.
Opeens valt er een schaduw over je tafeltje.
[naam enge leraar/lerares] staat -met alleen zijn
[kledingstuk] aan- naast je.
'Eruit jij!' buldert hij/zij. Na de les draagt hij/zij je op om vijftig strafregels te schrijven. Als hij/zij het lokaal uitloopt, struikelt hij/zij over een
[etenswaar].
Je probeert je lach in te houden, maar dat lukt natuurlijk niet. Boos draait
[naam zelfde enge leraar/lerares] zich om, terwijl hij/zij naar je wijst met een
[voorwerp].'Honderd strafregels!' brult hij/zij.
IJverig begin je te schrijven.
Net als je begint te dagdromen over
[naam van een lekkere acteur/actrice] gaat de deur langzaam open.
[naam schoolhunk/babe] kijkt je aan. 'Hey
[koosnaampje], moet jij ook nablijven?' Je stamelt ja, terwijl je een
[kleur] [lichaamsdeel] krijgt.
Hij/Zij gaat
[voorzetsel] je zitten en lacht naar je. '[
koosnaampje], ik heb jou altijd al geweldig gevonden. Je lijkt als twee druppels water op [naam actrice/acteur]'. Zelf dacht je dat je meer weg had van een
[dier], maar je bent wel blij met de ontwikkeling.
Je neemt een slokje van je
[drankje], fluit
[titel van een summersong] en vertelt
[naam schoolhunk/babe] dat je gisteren een super toffe
[kleur][kledingstuk] hebt gekocht bij
[naam kledingwinkel]. Hij/Zij luistert geinteresseerd. Hij/Zij heeft ook zulke prachtige
[lichaamsdeel].
Op de
[muziekinstrument] in de hoek speelt hij/zij
[jouw lievelingsliedje]. Dit is echte liefde! Je strafregels zijn in no time gemaakt.
Na nummer honderd, kus je hem/haar op zijn
[lichaamsdeel] en loop je het lokaal uit. 'Wil je met me
[werkwoord]?' hoor je hem/haar nog roepen. Dat laat je je geen
[cijfer] keer zeggen. Je sprint terug en roept: 'Natuurlijk
[koosnaampje], dat doen we morgen op school wel!' Stralend loop je naar buiten.